De tekenaar
De Kroniek.Van 31 januari tot 31 september 2010 presenteert Markiezenhof te Bergen op Zoom een tentoonstelling over de ‘politieke prenten’ die tussen 1895 en 1897verschenen in De Kroniek.
De makers, Willem van Konijnenburg, Antoon Molkenboer, Jan Veth, Jan Toorp en Marius Bauer geven hun eigen commentaar op de kwesties die Nederland in die jaren bezighielden: De uitbreiding van het kiesrecht, de sociale kwestie, de oorlog in Atjeh, maar ook verkeersproblemen met wielrijders of de wereldtentoonstelling van het hotelwezen in Amsterdam. Ook de internationale politiek is ruimschoots vertegenwoordigd: De Oosterse kwestie, de hongersnood in India en de kroning van Tsaar Nicolaas II, alles komt aan bod.
Het is de eerste keer dat alle ‘politieke prenten’ uit De Kroniek bijeengebracht en van commentaar voorzien zijn. De spiegel van de samenleving zoals die meer dan honderd jaar geleden werd voorgehouden aan de lezers van De Kroniek, blijkt nog steeds grote actualiteitswaarde te bezitten. [
meer over de tekenaar]
Pieter Lodewijk Tak en de Breêroclub.
Nadat Tak op 35 jarige leeftijd vanuit zijn geboortestad Middelburg, waar hij als politiek redacteur verbonden was aan de Middelburgsche Courant, naar Amsterdam was verhuisd, raakte zijn carrière in een stroomversnelling. Na korte tijd secretaris van de Liberale Unie te zijn geweest, koos hij in zijn journalistieke beschouwingen al snel de kant van de radicale Amsterdamse wethouder Willem Treub. Hij steunde diens streven tot naasting van de nutsbedrijven (gas, electriciteit, water en tram), werkte mee aan het door Treub opgezette Sociaal Weekblad en werd lid van de Breêroclub, een politiek en kunstzinnig genootschap, dat in 1885 was opgericht om de driehonderdste geboortedag van de grote dichter te herdenken. Het was een informeel gezelschap van jonge politici, dichters en schrijvers die met enige regelmaat het glas hieven in café Mast op het Rembrandtplein, de Poort van Cleve aan de Nieuwezijds Voorburgwal of Americain op het Leidseplein. Tak ontmoette er onder anderen de schrijvers Lodewijck van Deijssel, Albert Verwey en Frank van der Goes, architect Hendrik Berlage en kunstenaars als Jan Veth, Marius Bauer en Georg Breitner. Men besprak elkaars werk, voerde heftige discussies over kunst en politiek en smeedde plannen voor de toekomst. Toen Tak en Van Deijssel na conflicten met de ‘autocratische’ Willem Kloos in 1893 ontslag namen als redacteuren van De Nieuwe Gids, ontstond in dit milieu het idee om een nieuw tijdschrift op te richten. Een algemeen weekblad wel te verstaan, waarin behalve literaire beschouwingen ook de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van beeldende kunst, muziek, toneel en politiek besproken werden.
Engagement in woord en beeld

Toestand in het oostenDe Kroniek moest in alle opzichten een weerspiegeling zijn van het streven naar vernieuwing binnen de toenmalige geestelijke elite. Een spreekbuis van allen die zich aan het eind van de negentiende eeuw afzetten tegen de vastgeroeste artistieke conventies, zoals die golden in bijvoorbeeld de schilderkunst of in het hopeloos ouderwetse romantische toneel. In politiek opzicht waren de hoofdredactionele artikelen van Tak bepalend. Geen autoriteit werd gespaard. Of het nu ging om minister Samuel van Houten, die door zijn onstandvastige houding aangaande de kiesrechtuitbreiding aan een ministerspost was gekomen, of om de Engelse minister van Koloniën Joseph Chamberlain, aan wiens geloofwaardigheid in zake de Britse betrokkenheid bij de overval op de boerenrepubliek Transvaal openlijk werd getwijfeld. Tak was altijd scherp in zijn politiek commentaar, maar het waren toch vooral de zogenoemde ‘politieke prenten’, die De Kroniek echt pikant maakten. Vanaf het eerste nummer verscheen in elke uitgave een lithografie als ‘wekelijks bijvoegsel’. Soms waren dat portretten van bekende tijdgenoten gemaakt door Jan Veth of platen van kunstenaars als Herman Haverman, Antoon der Kinderen en Theo van Hoytema, maar in de meeste gevallen bestond de ‘losse kunstbijlage’ uit een prent waarin de actuele politiek in binnen- en buitenland op de hak werd genomen.
Antoon Molkenboer
Pieter Lodewijk Tak was zich als geen ander bewust van de meerwaarde van goede spotprenten voor een tijdschrift. De ‘cartoons’ van Johan Braakensiek in De Amsterdammer bepaalden in belangrijke het succes van het blad en Tak was ervan overtuigd dat ook De Kroniek aan populariteit zou winnen wanneer hij een talentvolle tekenaar wist aan te trekken.
Nog voor het verschijnen van het eerste Kroniek-nummer nam hij contact op met de 22 jarige Amsterdamse tekenaar Antoon Molkenboer. Samen met Vincent van Gogh (een oom van de schilder, die destijds werkte in de kunsthandel en uitgeverij van zijn vader Cornelius Marinus van Gogh) bezocht Tak begin december 1894 Molkenboers atelier: ‘Het viel mij zeer mee’, schreef hij aan Jan Veth, ‘ik geloof dat het met hem wel gaan zal. Hij heeft blijkbaar een goed oog voor de zotheid der dingen.’ Molkenboer kreeg van de Steendrukker een steen in huis ‘om hem met het procédé vertrouwd te maken’ en binnen enkele weken was zijn eerste prent gereed. Het was een persiflage op het door minister van Houten aangekondigde onderzoek naar de schilderijencollectie van het Rijksmuseum en de problemen rond de nachtwachtzaal. Onder het toeziend oog van de oud hoofddirecteur Frederik Obreen verwijdert een werkman van de stadsreiniging inferieure stukken uit de museumcollectie. ‘Schoonmaak op handen ?’ zo luidde de cynische vraag in de titel. De prent was op tijd gereed om te worden opgenomen in het openingsnummer van De Kroniek.
Willem Adriaan van Konijnenburg
Op 31 maart 1895 verscheen voor het eerst een ‘politieke prent’ van de Haagse tekenaar Willem van Konijnenburg in De Kroniek. Onderwerp van spot was het conservatieve katholieke kamerlid Leopold Haffmans, die steevast voor protectionistische maatregelen pleitte teneinde de achtergebleven Nederlandse landbouwsector te beschermen. Op de prent zien we Haffmans die voort ploegt met volstrekt verouderd materiaal. Het idee voor de prent kwam van hoofdredacteur Tak. Tak had een afbeelding van Haffmans voor ogen, naar het schilderij De Ploeger van de op dat moment zeer succesvolle schilder Pieter de Josselin de Jong. Aanvankelijk had hij Marius Bauer gevraagd of hij de tekening wilde maken, maar Bauer verwees hem naar de toen 27 jarige Willem Adriaan van Konijnenburg. Van Konijnenburg was lid van de Haagsche Kunstkring waar hij kennis maakte met Jan Toorop en het symbolisme. Voor De Kroniek zou hij in totaal 25 spotprenten tekenen. Opvallend was dat hij, in tegenstelling tot Bauer en Molkenboer, geen arceringen gebruikte in zijn prenten, maar vooral lange golvende lijnen tegen een egaal witte achtergrond.
Marius Bauer

Vetter prikkebeenIn april 1895 verscheen voor het eerst een prent van Marius Bauer (27 jaar oud) in De Kroniek. Hij was van de vijf kunstenaars die spotprenten tekenden voor De Kroniek, verreweg de meest productieve. In totaal leverde hij 52 ‘politieke prenten’ af en daarnaast verschenen in het voorjaar van 1896 nog een elftal rijk geïllustreerde verslagen van zijn reis naar Moskou waar hij op 26 mei de kroning van Tsaar Nicolaas II bijwoonde. Sinds Bauer in 1888 Istanbul had bezocht, raakte hij in de ban van het Oosten. In talloze etsen kwam zijn fascinatie voor de exotische schoonheid en mystiek van de Oriënt tot uiting, ook in de vele spotprenten aangaande de ‘Oostersche kwestie’, die hij maakte voor De Kroniek onder het pseudoniem ‘Rusticus’. Bauers voorkeur voor Oosterse taferelen weerhield hem er overigens niet van ook binnenlandse onderwerpen met de nodige humor te behandelen. Een goed voorbeeld daarvan is de strijd om ‘De Amsterdamsche Telefoon’ (1 november 1896) , waarbij directeur Henri Hubrecht en wethouder Willem Treub figureren als de hoofdpersonen uit Goethe’s gedicht ‘Erlkönig’.
Jan Toorop en Jan Veth
De twee prenten die Jan Toorp tekende voor De Kroniek, ‘De Haardsteden’ (2 juni 1895) en ‘Verheugd Gouda’ (2 mei 1897) vallen op door stijl en schoonheid. Vooral de symboliek in ‘De Haardsteden’ getuigd van engagement: Minister van Financiën Sprenger van Eyck dirigeert, temidden van kamerplanten die door de voorgenomen afschaffing van de belasting op vensters welig groeien, een orkest van schoorstenen. Op de onderrand van de prent een volk in verdrukking, maar vastbesloten tot verzet tegen de verhoging van de haardstedenbelasting. De rook uit de schoorstenen vloeit naar de staatskas.
Kunstenaar Jan Veth leverde slechts één ‘politieke prent’ voor De Kroniek. Op 3 oktober 1897 verscheen ‘Altijd door kanonnenvleesch’, een illustratie van de troonrede, waarin de gesneuvelde soldaten in Nederlands Indië werden betreurd. Met het pseudoniem Urbanis (van de stad) stelde Veth zich tegenover Marius Bauer alias Rusticus (boer - van het land). Kennelijk kon hij de verleiding niet weerstaan om zich op het terrein van de ‘politieke prent’ te meten met Bauer. Overigens heeft Veth zelf nooit toegegeven dat hij degene was die schuilging achter het pseudoniem ‘Urbanus’.
Drie jaar ‘politieke prenten’

Voorpagina kroniekDe Kroniek kon blijven bestaan dankzij het talent van Tak om steeds weer nieuwe medewerkers aan te trekken en financiële problemen op te lossen, veelal door openstaande
rekeningen uit eigen zak te betalen. Het blad was gericht op een artistieke en vooruitstrevend intellectuele bovenlaag en de oplage bleef daardoor beperkt. Met maximaal zo’n zeshonderd abonnees was het nauwelijks een rendabele onderneming. Uitgever van Gogh hield het eind maart 1896 al voor gezien en toen vijf jaar later ook Scheltema en Holkema’s Boekhandel geen brood meer zag in De Kroniek, besloot Tak in 1902 het blad dan maar in eigen beheer te gaan exploiteren.
De wekelijkse kunstbijlagen waren al veel eerder stopgezet. ‘De Kroniek zal niet zoo geregeld als vroeger bij elk nommer een plaat geven’, zo luidde de mededeling van uitgever Scheltema en Holkema op 16 januari 1998. Het bleek een understatement. Geldgebrek noopte tot drastische bezuinigingen. Drie jaar lang waren de lezers van De Kroniek getrakteerd op ‘politieke prenten’. ‘De arbeids-strijd in Engeland’ van Molkenboer, verschenen in het nummer van 19 december 1897, bleek de laatste te zijn.
eerdere exposities: